🌱 (7) Wat fossielen ons vertellen over écht eten
- Studio Tempel .
- 30 jan
- 5 minuten om te lezen
Bijgewerkt op: 1 apr
Fossielen en isotopen vertellen een eerlijk verhaal. Geen theorie, maar wat er echt is gebeurd. Fossiele resten en isotopenonderzoek bevestigen wat de biologie al laat zien. De mens is geëvolueerd op een gevarieerd, voedingsrijk dieet uit de natuur.
In botten en tanden blijven stoffen achter die laten zien wat iemand over langere tijd heeft gegeten. Dat noemen we isotopen. Zie het als een soort spoor dat voeding achterlaat in het lichaam. Wat zien wetenschappers als ze daarnaar kijken? Dat we tijdens de evolutie steeds meer dierlijke eiwitten zijn gaan eten. Hoe verder we kwamen, hoe groter de rol van dierlijk voedsel werd. En dat sluit precies aan bij wat we zagen in het vorige blog, waar werktuigen laten zien hoe we jaagden en voedsel bewerkten.
In het vorige blog keken we naar gedrag. Wat mensen deden om aan eten te komen. In dit blog kijken we naar het resultaat daarvan. Wat er daadwerkelijk in het lichaam terechtkwam.
In fossielen ligt dat antwoord opgeslagen. En met isotopenonderzoek kunnen we dat vandaag de dag letterlijk teruglezen.
Evolutie en voeding: het breekpunt
In de afgelopen blogs zagen we hoe we tijdens de evolutie van homininen, zo’n zes tot acht miljoen jaar geleden, tot Homo sapiens ongeveer 300.000 jaar geleden, steeds meer dierlijke voeding zijn gaan eten. Ook onze fysiologie wijst die kant op.
De menselijke maag is uitzonderlijk zuur, met een pH rond de 1,5. Dat is bijna net zo laag als bij aaseters zoals gieren. Ter vergelijking, bij chimpansees, die vooral fruit en bladeren eten, ligt de pH rond de 3. Zo’n zure maag kost veel energie om te onderhouden en ontwikkelt zich alleen als het nodig is, bijvoorbeeld om vlees veilig te kunnen verteren.
Ook onze stofwisseling laat zien waar we op gebouwd zijn. Ons brein draait op glucose, maar de rest van het lichaam kan prima overschakelen op vet als brandstof. Wanneer er weinig koolhydraten zijn, zorgt het lichaam ervoor dat vooral de hersenen glucose krijgen. Dat gebeurt onder andere doordat spieren tijdelijk minder gevoelig worden voor insuline. Zo blijft er voldoende brandstof beschikbaar voor het brein. Dit past bij een dieet waarin vet een grote rol speelde en planten vooral een aanvulling waren.
Ook genetisch zien we sporen van dat dieet. Mensen hebben genen die zorgen voor een hoge productie van lipase, het enzym dat vet afbreekt, en slaan energie efficiënt op in vetweefsel. Pas met de komst van de landbouw verschenen extra kopieën van het amylase-gen, dat helpt bij het verteren van zetmeel. Dat laat zien dat we miljoenen jaren vooral vet- en eiwitrijk aten en ons pas relatief recent hebben aangepast aan meer koolhydraten.
Waar werktuigen lieten zien dát dierlijk voedsel steeds belangrijker werd, laten isotopen zien hoe hoog in de voedselketen we stonden en waar ons eiwit werkelijk vandaan kwam.
Wat zijn isotopen (en wat meten ze wel/niet)?
Isotopen zijn varianten van hetzelfde element met een iets ander gewicht. De verhoudingen van koolstof, stikstof, strontium en barium in bot en tand veranderen mee met wat en waar je eet. Aan die verhoudingen kun je zien of iemand vooral planten, landdieren of waterdieren at.
Isotopen meten geen calorieën of vetten. Ze geven een gemiddeld beeld van iemands eiwitbronnen over meerdere jaren. Plantaardig voedsel met weinig eiwit laat daardoor vaak maar beperkt sporen na.
Wat zeggen isotopen over wat we aten?
7 tot 4,2 miljoen jaar geleden – de eerste homininen Onze vroegste voorouders leefden voornamelijk van planten, bladeren, wortels, knollen en vruchten, met af en toe een insect of klein dier. Isotopen laten een duidelijk plantaardig profiel zien. Ze stonden laag in de voedselketen.
4,2 tot 2,5 miljoen jaar geleden – Australopithecus en Paranthropus Nog steeds overwegend plantaardig, maar met regionale verschillen. In sommige gebieden aten ze meer grasachtige planten en zetmeelrijke wortels. Dierlijk voedsel kwam erbij, maar nog niet structureel. In isotopen zie je daarom nog steeds een laag trofisch niveau.
2,5 miljoen tot 300.000 jaar geleden – de opkomst van Homo Hier begint de verschuiving. Vroege Homo-soorten aten steeds meer dierlijk eiwit, vlees, merg, eieren en later ook vis en schaaldieren. Isotopen tonen een duidelijke stijging naar een hoger trofisch niveau. Meer vlees, meer vet, meer energie.
Vanaf 300.000 jaar geleden – Neanderthalers en Homo sapiens Isotopenonderzoek laat zien dat Neanderthalers in Europa het grootste deel van hun eiwit uit dierlijke bronnen haalden. Hun waarden zijn vergelijkbaar met roofdieren zoals wolven en leeuwen. Ze stonden aan de top van de voedselketen.
Vroege Homo sapiens aten gemiddeld iets minder dierlijk eiwit, maar nog steeds een groot deel. Hun dieet was flexibeler. Aan de kust kwam een deel van het eiwit uit vis en schelpdieren, landinwaarts vooral uit wild en vetrijke dieren. Deze variatie gaf energie en aanpassingsvermogen.
Wat dit ons vertelt
Fossielen en isotopenonderzoek vullen het archeologische bewijs aan. Ze laten zien dat dierlijk voedsel geen toevallige aanvulling was, maar een centrale bron van eiwit in onze evolutie.
Meer beschikbaar eiwit en energie maakten grotere hersenen, complex gedrag en lange periodes van fysieke activiteit mogelijk. Planten speelden ondertussen hun eigen rol. Ze leverden vezels, vitamines en beschermende stoffen.
Samen zorgden ze voor precies wat nodig was om te groeien, te denken en te overleven. Wat we in botten en tanden terugvinden, vertelt steeds hetzelfde verhaal. De mens ontwikkelde zich op voeding waarin dierlijk eiwit een grote rol speelde, aangevuld met wat de natuur verder bood.
Afsluiting
De sporen in botten en tanden laten zien wat we aten. Maar ze laten niet zien wat er vanbinnen gebeurde. In het volgende blog duiken we het lichaam zelf in, naar de darmen en hersenen, waar de echte evolutie plaatsvond.
👉 Volgende blog: Waarom jouw darmen en hersenen bewijzen dat je dierlijke voeding nodig hebt

Bronvermelding
Kuipers, R. (2012). Fatty acids in human evolution: contributions to evolutionary medicine. Rijksuniversiteit Groningen, proefschrift. (n.d.). The Nutritional Characteristics of a Contemporary Diet Based Upon Paleolithic Food Groups. Colorado State University.
Cattelain, P., & Bellier, C. (2002). De Jacht in de Prehistorie (Guides archéologiques du Malgré-Tout, 70 p.). Treignes: Cedarc.
Ben-Dor, M., Sirtoli, R., & Barkai, R. (2021). The evolution of the human trophic level during the Pleistocene. Yearbook of Physical Anthropology, 1–30. https://doi.org/10.1002/ajpa.24247
Cordain, L., Eaton, S. B., Miller, J. B., Mann, N., & Hill, K. (2002). The paradoxical nature of hunter-gatherer diets: meat-based, yet non-atherogenic. European Journal of Clinical Nutrition, 56(Suppl 1), S42–S52. https://doi.org/10.1038/sj.ejcn.1601353
Frassetto, L., Morris, R. C. Jr., et al. (2001). Diet, evolution and aging—pathophysiologic effects of the post-agricultural inversion of potassium-to-sodium and base-to-chloride ratios in the human diet. European Journal of Nutrition, 40(5), 200–213.
Richards parlementslid, Trinkaus E. Uit Afrika: moderne menselijke oorsprong speciaal kenmerk: isotopisch bewijs voor de diëten van Europese Neanderthalers en vroegmoderne mensen. Proc Natl Acad Sci U S A. 2009 22 sep;106(38):16034-9. doi: 10.1073/pnas.0903821106. Epub 2009 11 aug. PMID: 19706482; PMCID: PMC2752538.
Richards M. P., & Trinkaus E. (2009). Isotopic evidence for the diets of European Neanderthals and early modern humans. PNAS, 106(38), 16034–16039.


Opmerkingen